DEEL 2: RODE- EN WITTE BLOEDCELLEN
DISCLAIMER
Onze hand-outs worden vervaardigd aan de hand van niet alleen wetenschappelijke literatuur, maar ook van eigen inzichten op basis van persoonlijke ervaringen. Daarom kan de informatie voor een deel afwijken van de gangbare literatuur.
INLEIDING
In deel 1 van de serie artikelen over bloedonderzoek spraken we over het klinisch-chemisch bloedonderzoek bij hond en kat. In het tweede deel bespreken we de betekenis van de verschillende afwijkingen die kunnen voorkomen in het witte en rode bloedbeeld. Om de afwijkingen in het rode en witte bloedbeeld te kunnen begrijpen moeten we eerst weten wat witte en rode bloedcellen nu precies zijn, welke verschillende type cellen er onderscheiden kunnen worden en wat hun functies zijn. Eerst zal er iets verteld worden over witte bloedcellen en de mogelijke afwijkingen die gevonden kunnen worden in het witte bloedbeeld, daarna komen de belangrijkste parameters van het rode bloedbeeld aan bod.
DEEL 2a: WITTE BLOEDBEELD
Witte bloedcellen (leucocyten):
Witte bloedcellen, met een wetenschappelijke term leucocyten genoemd, zijn afweercellen die het lichaam verdedigen tegen aanvallers zoals bacteriën, virussen, schimmels, parasieten en toxische stoffen. Het zijn dus als het ware verdedigers tegen- en opruimers van lichaamsvreemde cellen en stoffen.
Er bestaan verschillende soorten witte bloedcellen. De benamingen voor deze verschillende typen witte bloedcellen (of leucocyten) klinken ingewikkeld, maar het zijn eigenlijk namen die gegeven worden op grond van het uiterlijk van de cellen bij het bekijken onder de microscoop na een specifieke kleuring. Er is eigenlijk niet echt een goede vertaling voor deze namen in normaal Nederlands te geven, dus we moeten het toch maar doen met de wetenschappelijke termen.
In onderstaand diagram kunnen we zien hoe de witte bloedcellen zijn onderverdeeld.

In onze kliniek kan zowel het totaal aantal witte bloedcellen, als de onderverdeling in verschillende type witte bloedcel worden bepaald. De onderverdeling in verschillende witte bloedcellen heet de celdifferentiatie. Hiervoor hebben we een dat de verschillende typen witte bloedcellen telt. Het maakt onderscheidt tussen de verschillende typen witte bloedcel op grond van grootte, vorm en opname van kleurstof.
Het is echter belangrijk om naast het gebruik van dit apparaat een bloeduitstrijkje te maken en onder de microscoop te bekijken. Sommige afwijkingen kunnen anders worden gemist. Om een handmatige differentiatie uit te voeren wordt het bloeduitstrijkje gekleurd. Onder de microscoop worden 100 witte bloedcellen geteld en wordt ieder type witte bloedcel geturfd. Om de verschillende typen witte bloedcellen goed te kunnen onderscheiden is veel ervaring nodig. Bij deze methode kan meteen gekeken worden of er afwijkingen qua morfologie (=uiterlijk) aan de witte bloedcellen voorkomen.

Voorbeeld van het microscopisch beeld van een bloeduitstrijkje
na kleuring, er zijn verschillende typen witte bloedcellen en rode
bloedcellen te zien
Wat betekent het nu als het totaal aantal witte bloedcellen toegenomen is, of juist afgenomen en wat is de betekenis van een toename of afname van de verschillende typen witte bloedcellen? Onderstaand een overzicht.
Totaal aantal witte bloedcellen
Uitleg
Het totaal aantal witte bloedcellen is een maat voor de status van het afweerapparaat. Het is dus het aantal witte bloedcellen van alle typen witte bloedcellen bij elkaar opgeteld in een bepaald volume bloed. De witte bloedcellen zijn afhankelijk van de immuun status van het dier. Witte bloedcellen kunnen zich op meerdere plaatsen van het lichaam bevinden: In het beenmerg waar de witte bloedcellen worden aangemaakt, vrij in het perifere bloed, gekleefd aan de bloedvatwand en in de weefsels. De witte bloedcellen die wij meten zijn de witte bloedcellen die vrij in het perifere bloed circuleren. Hoeveel cellen daar gemeten worden hangt dus af van de aanmaak in het beenmerg en de vraag van de weefsels.
Een toename van het totaal aantal witte bloedcellen heet leucocytose en wordt meestal veroorzaakt door een toename van de zogenaamde neutrofiele granulocyten. In dat geval wordt ook de term neutrofilie gebruikt. Toename van de andere typen witte bloedcellen hebben in het algemeen (uitzonderingen zoals vormen van leukemie daargelaten) geen grote invloed op het totaal aantal witte bloedcellen.
Een afname van het totaal aantal witte bloedcellen heet leucopenie. We spreken van een neutropenie als het om een vermindering van het aantal neutrofielen gaat. Afname van de andere typen witte bloedcellen hebben in het algemeen geen grote invloed op het totaal aantal witte bloedcellen. Een leukopenie kan ontstaan wanneer de vraag van lichaam de aanmaak in het beenmerg overstijgt. Denk hierbij aan heftige infecties zoals een baarmoeder ontsteking of septische processen. Het kan ook betekenen dat het beenmerg slecht functioneert en weinig tot geen nieuwe witte bloedcellen aanmaakt. Als de hoeveelheid witte bloedcellen te laag wordt kan het dier gevoelig worden voor infecties en is het gebruik van een breedspectrum antibioticum geïndiceerd.
Lage waarden
- Virusinfecties (Parvovirus, Kattenziekte, HCC (=virale hepatitis bij de hond), FeLV, FIV)
- Overweldigende bacteriële infecties (sepsis)
- Chronische parasitaire infecties
- Medicijnen of toxische stoffen (phenobarbital,oestrogenen, griseofulvine, bepaalde antibiotica zoals die uit de groep van de cephalosporinen en trimethoprim-sulfa)
- Straling
- Beenmergdepressie (=onderdrukking van de beenmergfunctie) ten gevolge van hormonen, beenmergkanker, toxinen, medicijnen
- Anafylactische shock (ernstige overgevoeligheidsreactie)
Hoge waarden
- Opwinding, stress, inspanning (de cellen die aan de bloedvatwanden gekleefd zitten komen dan vrij in het bloed)
- Infecties met bacteriën, bepaalde virussen (bv. Niesziekte kat), schimmels, protozoa of parasieten
- Immuun-gemedieerde aandoeningen (Bloedafbraak)
- Ernstig fysiek letsel (brandwonden, trauma, chirurgie, bevriezingen)
- Tumoren (carcinomen, rectumpoliepen, sarcomen)
- Vergiftigingen (bv. uraemie)
- Corticosteroiden
Staafkernigen en Segmentkernige neutrofielen
We hebben gezien in bovenstaand diagram dat neutrofiele granulocyten nog onderscheiden kunnen worden in staafkernigen en segmentkernigen. Staafkernige neutrofielen zijn jonge, nog onrijpe neutrofielen. Een verhoging van deze cellen in het bloed wijst dus op een acute ontstekingsreactie, waarbij het lichaam acuut vraagt om grote aantallen witte bloedcellen. Bij een chronische ontstekingsreactie zien we meer segmentkernige neutrofielen. Bij een verhoging van zowel de staafkernige neutrofielen als de segmentkernigen neutrofielen spreken we van een actieve chronische ontsteking. Zeer ongunstig is het als er meer staafkernige neutrofielen dan segmentkernige neutrofielen in het bloed gevonden worden, terwijl het totaal aantal witte bloedcellen normaal of zelfs te laag is. Dit is namelijk een teken dat het lichaam de vraag naar witte bloedcellen eigenlijk niet aan kan. We zien dit bijvoorbeeld bij ernstige gegeneraliseerde infecties met sepsis (=alle organen en ook het bloed zijn geïnfecteerd met de ziekteverwekker).
Lymfocyten
Uitleg
Lymfocyten zijn witte bloedcellen die een belangrijke rol spelen in de doelgerichte, specifieke afweer. Ze zorgen voor de aanmaak van (specifieke) antilichamen tegen aanvallers als virussen, bacteriën etc., maar ook voor (specifieke) afweer met behulp van afweercellen. Het zijn de enige type witte bloedcellen die kunnen recirculeren. Dat wil zeggen dat ze vanuit het weefsel via het lymfvatstelsel weer worden opgenomen in het bloed. Ze spelen ook een rol in het `geheugen' van het immuunsysteem. Een toename van deze cellen in het bloed wijst in het algemeen op een langdurige prikkeling van het immuunsysteem zoals bijvoorbeeld bij infecties met bloedparasieten (zie Buitenlandse infectieziekten), maar ook bij andere chronische infecties. Een verhoging van het aantal lymfocyten wordt `lymfocytose' genoemd, een verlaging van het aantal lymfocyten wordt `lymfopenie' genoemd.
Lage waarden
- Corticosteroïden (toegediend of ziekte van Cushing)
- Virusinfecties (Hondenziekte, FeLV, HCC, FIV, Parvo, Kattenziekte)
- Ophoping van lymfevocht in de borstholte
- Afwijkingen van de lymfevaten
Hoge waarden
- Pups jonger dan 2 maanden (piek op leeftijd van 6 weken), kittens jonger dan 4-5 maanden (piek op leeftijd van 12-13 weken)
- Chronische infectie
- Na vaccinatie
- Angst, opwinding, stress (mn. katten)
- Ziekte van Addison
- Vormen van leukemie, maligne lymfoom
Lymfoblasten
Het voorkomen van grote hoeveelheden jonge lymfocyten, deze cellen worden `lymfoblasten' genoemd, is een sterke aanwijzing voor leukemie of maligne lymfoom (kwaadaardige vormen van bloedcelkanker).
Eosinofiele granulocyten
Uitleg
Eosinofiele granulocyten hebben een belangrijke functie bij het bestrijden van grotere parasitaire organismen. Deze witte bloedcellen produceren stoffen die schade kunnen toebrengen aan aanvallers, maar ook de eigen weefsels kunnen hiervan schade ondervinden. We zien dat bijvoorbeeld bij voorste luchtweginfecties, vooral die waarbij een allergie een rol speelt (asthma bij de kat!) en bij allergische ontstekingen van de huid (vlooienallergie).
Lage waarden
- Stress (opwinding, angst, pijn)
- Corticosteroiden (toegediend of ziekte van Cushing)
- Acute infecties
Hoge waarden
- Parasitaire infecties (wormen, teken, vlooien)
- Allergieën, vooral vlooienallergie
- Overgevoeligheidsreacties (bv. asthma)
- Weefselschade bij allergische reacties
- Loopsheid/krolsheid
- Voorste luchtweginfecties
- Maagdarm aandoeningen (kat)
- Ziekte van Addison
- Eosinofiel granuloom-complex (kat)
- Hypereosinofiel syndroom (kat, Duitse herder, Rottweiler)
Basofiele granulocyten
Uitleg
Basofiele granulocyten komen normaliter niet of nauwelijks voor in het bloed van honden en katten. Als er verhoogde aantallen gevonden worden gaat dat meestal samen met verhoogde aantallen eosinofiele granulocyten. Een verhoging van het aantal basofiele granulocyten wordt basofilie genoemd. Er wordt gesproken van basofilie als het aantal groter is dan nul. Te lage waarden (basopenie) bestaan dus niet.
Hoge waarden
- Parasitaire infecties (hartworm!)
- Overgevoeligheidsreacties
- Te traag werkende schildklier
- Jonge Basenji's (2-4 maanden)
- Teveel vetten in het bloed
- Mastceltumoren
- Vorm van leukaemie
Mastcellen.
Het kan voorkomen dat er in het bloed zogenaamde `mastcellen' worden gevonden. Deze cellen zijn verwant aan basofiele granulocyten (maar er niet gelijk aan!) en het voorkomen ervan in het bloed kan duiden op acute ontstekingen van darm of huid, maar ook op een zogenaamde mastceltumor. Een mastceltumor is een kwaadaardige tumor die voornamelijk voorkomt in de huid, de darm en de milt.
Monocyten
Uitleg
Monocyten worden vooral geassocieerd met opruimreacties. Als monocyten uit de bloedbaan treden en de weefsels in gaan, veranderen ze in zogenaamde `macrofagen'. Macrofagen zijn cellen die zich om ziekteverwekkers als bacteriën, virussen e.d. heen kunnen stulpen en ze daarna verteren. Ze kunnen dit zelfs als de ziekteverwekkers zich verschuilen in de cellen van de patiënt. Ze eten de aanvallers dus letterlijk op (als een soort Packman-cel). Op dezelfde wijze kunnen deze cellen ook dode cellen, beschadigde cellen en vreemd materiaal opruimen. Normaliter komen monocyten in slechts lage aantallen voor in het bloed van honden en katten, daarom komen te lage waarden eigenlijk niet voor.
Hoge waarden
- Acute of chronische (woekerende) ontstekingen zoalsbij intra-cellulaire bacteriën, protozoa, FIP, vreemde voorwerpen, schimmelinfecties, etc.
- Ernstige pusvormende ontstekingen zoals pyometra (chronische baarmoederontsteking)
- Immuungemedieerde aandoeningen
- Aandoeningen waarbij weefselverval optreedt (grote tumoren)
- Ernstige weefselschade (ernstig trauma, rughernia, botbreuken)
- Herstel na neutropenie (bv. na Parvo)
- Bloedafbraak (haemolyse)
- Corticosteroiden (toegediend, bij stress of ziekte van Cushing)
- Immuunstoornissen (bv. vormen van gewrichtsontsteking)
- Oude honden
- Vorm van leukemie
DEEL 2b: RODE BLOEDBEELD
Rode bloedcellen (=erythrocyten) zijn van levensbelang. Ze vervoeren namelijk zuurstof naar de weefsels. Een tekort aan rode bloedcellen heet bloedarmoede of `anemie'. Er zijn ook ziektes waarbij er juist een teveel aan rode bloedcellen wordt gevonden. Dit heet polycytemie. Deze aandoening komt zeer zelden voor en we zullen er dan ook verder niet op ingaan.
Aantal rode bloedcellen
Er kunnen verschillende waardes bepaald worden om een idee te krijgen van de hoeveelheid rode bloedcellen. Er kan gekeken worden naar de Hematocriet, het Hemoglobinegehalte en het aantal rode bloedcellen per volume-eenheid bloed.
In onze kliniek wordt de Hematocriet waarde (afkorting: Ht) bepaald. Dit is de hoeveelheid rode bloedcellen uitgedrukt als percentage van het totale volume aan bloed. Normaalwaarden voor de hond zijn 42 - 57%, bij de kat 33 - 45%. Het is belangrijk om ons te realiseren dat het om een percentage gaat! Dit betekent namelijk dat de hoeveelheid plasma (weefselvocht) ook van invloed is op de Ht-waarde. Een dier dat ernstig is uitgedroogd doordat het bijvoorbeeld braakt en/of diarree heeft, zal minder plasma (vocht) in de bloedbaan hebben circuleren. De totale hoeveelheid rode bloedcellen blijft hierbij gelijk, maar bevindt zich in een kleiner circulerend volume. De hematocriet, het percentage rode bloedcellen is bij deze uitgedroogde patiënt verhoogd. Wanneer wij deze patiënt aan het infuus leggen, wordt de plasma weer opgevuld en zakt de hematocriet weer.
Dit geeft weer eens aan dat er altijd een goed klinisch onderzoek nodig is om bloeduitslagen op de juiste manier te interpreteren!
Een tekort aan rode bloedcellen kan wijzen op:
- Verminderde aanmaak van rode bloedcellen
- Verhoogde afbraak van rode bloedcellen (=hemolyse)
- Verlies in de vorm van een (inwendige of uitwendige) bloeding.
Reticulocyten
Bij een uitgebreid onderzoek van het rode bloedbeeld wordt niet alleen gekeken naar het aantal rode bloedcellen, maar ook naar de grootte van de cellen, het ijzergehalte en de aanwezigheid van kernmateriaal (RNA). Normaal gesproken zijn uitgerijpte volwassen rode bloedcellen kernloos. Jonge rode bloedcellen bevatten nog wel resten van kernmateriaal. Dit kernmateriaal kan zichtbaar worden gemaakt door middel van een specifieke kleuring. De hoeveelheid jonge cellen is een maat voor de bloedaanmaak. Bij een bloedarmoede dient dan ook altijd gekeken te worden hoeveel jonge rode bloedcellen, ook wel `reticulocyten' genoemd, er aanwezig zijn. Voldoende aantallen reticulocyten duiden op een actief beenmerg. Het lichaam is dan bezig de bloedarmoede op te heffen. We noemen dit ook wel een regeneratieve anaemie. Bij welke aantallen reticulocyten we mogen spreken van een regeneratieve anaemie hangt af van de ernst van de anaemie.
Overige parameters van het rode bloedbeeld
Er kunnen ook nog jongere rode bloedcellen worden aangetroffen in het perifere bloed: deze cellen zijn groter naarmate ze jonger zijn en ze bevatten minder hemoglobine. Bij het bekijken van een bloeduitstrijkje wordt daar ook op gelet en de laborant vermeld deze bevindingen. Het voorkomen van grotere en blekere (minder hemoglobine) rode bloedcellen wordt aangeduid met de termen `anisocytose' (=ongelijke cellen) en `polychromasie' (=veelkleurigheid). De gemiddelde celgrootte en het gemiddelde hemoglobine-gehalte kan ook worden gemeten. Hiervoor zijn de volgende termen in gebruik: MCV (= mean cell volume = gemiddelde celgrootte), MCH ( = mean cell hemoglobin = gemiddelde hoeveelheid hemoglobine per cel) en MCHC ( = mean cell hemoglobin concentration = gemiddelde concentratie hemoglobine per cel).
Afwijkende rode bloedcellen
Een ervaren laborant kan tevens waarnemen of er afwijkende rode bloedcellen in een bloeduitstrijkje zitten. Er zijn een aantal specifieke morfologische afwijken die als aanwijzing kunnen dienen voor bepaalde aandoeningen. Zo zien we bijvoorbeeld bij een ernstige immuungemedieerde bloedafbraak zogenaamde `sferocyten'. Dit zijn hele bolvormige rode bloedcellen, terwijl de normale rode bloedcel min of meer schotelvormig is.
Bloedplaatjes of thrombocyten
Het aantal bloedplaatjes of thromobocyten is een belangrijke maat voor de stolling. De normaalwaarden zijn bij de hond 200 - 500 (x 10 9)/l, bij de kat 300 - 700 (x 10 9)/l.
Een tekort aan bloedplaatjes heet `thrombopenie' en kan wijzen op:
- Verminderde aanmaak van bloedplaatjes in het beenmerg
- Geneesmiddelen, oestrogenen,
- Infecties
- Stofwisselingsstoornissen
- Tumoren in het beenmerg
- Versnelde afbraak of verhoogde opslag in de milt
- Verhoogd verbruik
- Heftige immuungemedieerde reacties
- Overgevoeligheid voor medicijnen
- DIS (=diffuse intravasale stolling, een aandoening waarbij het gehele stollingsproces uit de pas loopt ten gevolge van ernstige ziekten of shock).
De betekenis van een verhoging van het aantal bloedplaatjes (thrombocytose) is niet eenduidig te geven, maar we zien het bijvoorbeeld na operaties, na het verwijderen van de milt, na trauma, bij stress en opwinding, maar ook tijdens de dracht. In uitzonderlijke gevallen kan het een aanwijzing zijn voor kwaadaardige (beenmerg)tumoren. Bij stolling van het bloed door fouten in de bloedafname of het verwerken van het bloedmonster zijn de uitslagen zeer onbetrouwbaar!
Dit artikel is op 3 mei 2011 bijgewerkt door J.F. van Hengel
concessies gedaan aan de nauwkeurigheid van de bepalingen. Humane apparaten zijn helemaal niet geschikt voor onderzoeken van honden en kattenbloed, omdat de witte bloedcellen van mensen enerzijds en honden/katten anderzijds sterk verschillen qua uiterlijk.
Wat betekent het nu als het toaal aantal witte bloedcellen toegenomen is, of juist afgenomen en wat is de betekenis van een toename of afname van de verschillende typen witte bloedcellen? Onderstaand een overzicht.
Totaal aantal witte bloedcellen
Uitleg
Het totaal aantal witte bloedcellen is een maat voor de ‘status’ van het afweerapparaat. Het is dus het aantal witte bloedcellen van alle typen witte bloedcellen bij elkaar opgeteld in een bepaald volume bloed. De witte bloedcellen zijn afhankelijk van de immuunstatus van het dier in meer of mindere aantallen aanwezig op verschillende plaatsen in het lichaam: in het beenmerg waar de witte bloedcellen worden aangemaakt, vrij in het perifere bloed, gekleefd aan de bloedvatwand, in de weefsels. De witte bloedcellen die wij meten zijn de witte bloedcellen die vrij in het perifere bloed circuleren. Hoeveel cellen daar gemeten worden hangt dus af van de aanmaak en de vraag in de weefsels.
Een toename van het totaal aantal witte bloedcellen heet ‘leucocytose’ en wordt voor het grootste deel veroorzaakt door een toename van de zogenaamde neutrofiele granulocyten (en lymfocyten). Daarom wordt ook wel de term ‘neutrofilie’ gebruikt. Toename van de andere typen witte bloedcellen hebben in het algemeen (uitzonderingen zoals vormen van leukemie daargelaten) geen grote invloed op het totaal aantal witte bloedcellen.
Een afname van het totaal aantal witte bloedcellen heet ‘leucopenie’ of ‘neutropenie’; een leucopenie wordt veroorzaakt door een afname van de neutrofiele granulocyten. Afname van de andere typen witte bloedcellen hebben in het algemeen geen grote invloed op het totaal aantal witte bloedcellen. Leucopenie is een teken dat het immuunsysteem onvoldoende functioneert en daarom zal vrijwel altijd antibiotica worden voorgeschreven in deze situatie (onafhankelijk van de directe oorzaak voor het tekort aan witte bloedcellen).
Normaalwaarden
Hond: 6.000 - 14.000 (x 10 6)/liter
Kat: 6.000 – 16.000 (x 10 6)/liter
Lage waarden
- Virusinfecties (Parvovirus, Kattenziekte, HCC (=virale hepatitis bij de hond), FeLV, FIV)
- Overweldigende bacteriële infecties (sepsis)
- Chronische parasitaire infecties
- Medicijnen of toxische stoffen (phenobarbital,oestrogenen, griseofulvine, bepaalde antibiotica zoals die uit de groep van de cephalosporinen en trimethoprim-sulfa)
- Straling
- Beenmergdepressie (=onderdrukking van de beenmergfunctie) ten gevolge van hormonen, beenmergkanker, toxinen, medicijnen
- Anafylactische shock (ernstige overgevoeligheidsreactie)
Hoge waarden
- Opwinding, stress, inspanning (de cellen die aan de bloedvatwanden gekleefd zitten komen dan vrij in het bloed)
- Infecties met bacteriën, bepaalde virussen (bv. Niesziekte kat), schimmels, protozoa of parasieten
- Ernstig fysiek letsel (brandwonden, trauma, chirurgie, bevriezingen)
- Tumoren (carcinomen, rectumpoliepen, sarcomen)
- Vergiftigingen (bv. uraemie)
- Corticosteroïden
- Bloedafbraak (=hemolyse)
N.B.
We hebben gezien in bovenstaand diagram dat neutrofiele granulocyten nog onderscheiden kunnen worden in staafkernigen en segmentkernigen. Staafkernige neutrofielen zijn jonge, nog onrijpe neutrofielen. Een verhoging van deze cellen in het bloed wijst dus op een acute ontstekingsreactie, waarbij het lichaam acuut vraagt om grote aantallen witte bloedcellen. Bij een chronische ontstekingsreactie zien we meer segmentkernige neutrofielen. Bij een verhoging van zowel de staafkernige neutrofielen als de segmentkernigen neutrofielen spreken we van een actieve chronische ontsteking. Zeer ongunstig is het als er meer staafkernige neutrofielen dan segmentkernige neutrofielen in het bloed gevonden worden, terwijl het totaal aantal witte bloedcellen normaal of zelfs te laag is. Dit is namelijk een teken dat het lichaam de vraag naar witte bloedcellen eigenlijk niet aan kan. We zien dit bijvoorbeeld bij ernstige gegeneraliseerde infecties met sepsis (=alle organen en ook het bloed zijn geïnfecteerd met de ziekteverwekker).
Lymfocyten
Uitleg
Lymfocyten zijn witte bloedcellen die een belangrijke rol spelen in de doelgerichte, specifieke afweer. Ze zorgen voor de aanmaak van (specifieke) antilichamen tegen aanvallers als virussen, bacteriën etc., maar ook voor (specifieke) afweer met behulp van afweercellen. Het zijn de enige type witte bloedcellen die kunnen recirculeren. Dat wil zeggen dat ze vanuit het weefsel via het lymfvatstelsel weer worden opgenomen in het bloed. Ze spelen ook een rol in het `geheugen' van het immuunsysteem. Een toename van deze cellen in het bloed wijst in het algemeen op een langdurige prikkeling van het immuunsysteem zoals bijvoorbeeld bij infecties met bloedparasieten (zie Buitenlandse infectieziekten), maar ook bij andere chronische infecties. Een verhoging van het aantal lymfocyten wordt `lymfocytose' genoemd, een verlaging van het aantal lymfocyten wordt `lymfopenie' genoemd.
Normaalwaarden
Hond: 1 - 4.8 (x 10 9)/l
Kat: 1.5 - 7 (x 10 9)/l
Lage waarden
- Corticosteroïden (toegediend of ziekte van Cushing)
- Virusinfecties (Hondenziekte, FeLV, HCC, FIV, Parvo, Kattenziekte)
- Ophoping van lymfevocht in de borstholte
- Afwijkingen van de lymfvaten
Hoge waarden
- Pups jonger dan 2 maanden (piek op leeftijd van 6 weken), kittens jonger dan 4-5 maanden (piek op leeftijd van 12-13 weken)
- Langdurige stimulatie van het immuunsysteem
- Na vaccinatie
- Angst, opwinding, stress
- Ziekte van Addison
- Vormen van leukemie, maligne lymfoom
N.B.
Het voorkomen van grote hoeveelheden jonge lymfocyten, deze cellen worden `lymfoblasten' genoemd, is een sterke aanwijzing voor leukemie of maligne lymfoom (kwaadaardige vormen van bloedcelkanker).
Eosinofiele granulocyten
Uitleg
Eosinofiele granulocyten hebben een belangrijke functie bij het bestrijden van grotere parasitaire organismen. Deze witte bloedcellen produceren stoffen die schade kunnen toebrengen aan aanvallers, maar ook de eigen weefsels kunnen hiervan schade ondervinden. We zien dat bijvoorbeeld bij voorste luchtweginfecties, vooral die waarbij een allergie een rol speelt (asthma bij de kat!) en bij allergische ontstekingen van de huid (vlooienallergie).
Normaalwaarden
Hond: 0.1 - 1.25 (x 10 9)/l
Kat: 0 - 1.5 (x 10 9)/l
Lage waarden
- Stress (opwinding, angst, pijn)
- Corticosteroïden (toegediend of ziekte van Cushing)
Hoge waarden
- Parasitaire infecties (wormen, teken, vlooien)
- Allergieën, vooral vlooienallergie
- Overgevoeligheidsreacties (bv. asthma)
- Weefselschade bij allergische reacties
- Loopsheid/krolsheid
- Voorste luchtweginfecties
- Maagdarm aandoeningen (kat)
- Ziekte van Addison
- Eosinofiel granuloom-complex (kat)
- Hypereosinofiel syndroom (kat, Duitse herder, Rottweiler)
Basofiele granulocyten
Uitleg Basofiele granulocyten komen normaliter niet of nauwelijks voor in het bloed van honden en katten. Als er verhoogde aantallen gevonden worden gaat dat meestal samen met verhoogde aantallen eosinofiele granulocyten. Een verhoging van het aantal basofiele granulocyten wordt basofilie genoemd. Er wordt gesproken van basofilie als het aantal groter is dan nul. Te lage waarden (basopenie) bestaan dus niet.
Normaalwaarden
Hond: 0
Kat: 0
Hoge waarden
- Parasitaire infecties (heartworm!)
- Overgevoeligheidsreacties
- Te traag werkende schildklier
- Jonge Basenji's (2-4 maanden)
- Teveel vetten in het bloed
- Mastceltumoren
- Vorm van leukaemie
N.B.
Het kan voorkomen dat er in het bloed zogenaamde `mastcellen' worden gevonden. Deze cellen zijn verwant aan basofiele granulocyten (maar er niet gelijk aan!) en het voorkomen ervan in het bloed kan duiden op acute ontstekingen van darm of huid, maar ook op een zogenaamde mastceltumor. Een mastceltumor is een kwaadaardige tumor die voornamelijk voorkomt in de huid, de darm en de milt.
Monocyten
Uitleg
Monocyten worden vooral geassocieerd met opruimreacties. Als monocyten uit de bloedbaan treden en de weefsels in gaan, veranderen ze in zogenaamde `macrofagen'. Macrofagen zijn cellen die zich om ziekteverwekkers als bacteriën, virussen e.d. heen kunnen stulpen en ze daarna verteren. Ze kunnen dit zelfs als de ziekteverwekkers zich verschuilen in de cellen van de patiënt. Ze eten de aanvallers dus letterlijk op (als een soort Packman-cel). Op dezelfde wijze kunnen deze cellen ook dode cellen, beschadigde cellen en vreemd materiaal opruimen. Normaliter komen monocyten in slechts lage aantallen voor in het bloed van honden en katten, daarom komen te lage waarden eigenlijk niet voor.
Normaalwaarden
Hond: 0.15 - 1.35 (x 10 9)/l
Kat: 0 - 0.85 (x 10 9)/l
Hoge waarden
- Acute of chronische (woekerende) ontstekingen zoalsbij intra-cellulaire bacterien, protozoa, FIP, vreemde voorwerpen, schimmelinfecties, etc.
- Ernstige pusvormende ontstekingen zoals pyometra (chronische baarmoederontsteking)
- Ernstige weefselschade (ernstig trauma, rughernia, botbreuken)
- Herstel na neutropenie (bv. na Parvo)
- Bloedafbraak (haemolyse)
- Corticosteroïden (toegediend of ziekte van Cushing)
- Immuunstoornissen (bv. vormen van gewrichtsontsteking)
- Oude honden
- Vorm van leukemie
DEEL 2b: RODE BLOEDBEELD
Rode bloedcellen (=erythrocyten) zijn van levensbelang. Ze vervoeren namelijk zuurstof naar de weefsels. Een tekort aan rode bloedcellen heet bloedarmoede of met een duur woord `anaemie'. Er zijn ook ziektes waarbij er juist een teveel aan rode bloedcellen wordt gevonden. Dit heet polycytaemie. Deze aandoening komt zeer zelden voor en we zullen er dan ook verder niet op ingaan.
Aantal rode bloedcellen
Er kunnen verschillende waardes bepaald worden om een idee te krijgen van de hoeveelheid rode bloedcellen. Er kan gekeken worden naar de Hematocriet, het Hemoglobinegehalte en het aantal rode bloedcellen per volume-eenheid bloed.
In onze kliniek wordt de Hematocriet waarde (afkorting: Ht) bepaald. Dit is de hoeveelheid rode bloedcellen uitgedrukt als percentage van het totale volume aan bloed. Normaalwaarden voor de hond zijn 42 - 57%, bij de kat 33 - 45%. Het is belangrijk om ons te realiseren dat het om een percentage gaat! Dit betekent namelijk dat de hoeveelheid plasma (weefselvocht) ook van invloed is op de Ht-waarde. Een voorbeeld:

In bloedmonster A is de Ht waarde 50%; de helft van het totale volume aan bloed bestaat uit rode bloedcellen. In bloedmonster B is de Ht waarden ook 50%; ook hier bestaat de helft van het totale volume aan bloed uit rode bloedcellen. Het absolute aantal rode bloedcellen is echter maar de helft van het aantal in bloedmonster A! Dat komt omdat de patiënt van bloedmonster B ook een tekort aan plasma heeft.
Een dier dat ernstig is uitgedroogd doordat het bijvoorbeeld braakt en/of diarree heeft, zal minder plasma (vocht) in de bloedbaan hebben circuleren. De totale hoeveelheid rode bloedcellen blijft hierbij gelijk, maar bevindt zich in een kleiner circulerend volume. De hematocriet, het percentage rode bloedcellen is bij deze uitgedroogde patiënt verhoogd. Wanneer wij deze patiënt aan het infuus leggen, wordt de plasma weer opgevuld en zakt de hematocriet weer.
Dit geeft weer eens aan dat er altijd een goed klinisch onderzoek nodig is om bloeduitslagen op de juiste manier te interpreteren!
Een tekort aan rode bloedcellen kan wijzen op:
- Verminderde aanmaak van rode bloedcellen
- Verhoogde afbraak van rode bloedcellen (=hemolyse)
- Verlies in de vorm van een (inwendige of uitwendige) bloeding.
Reticulocyten
Bij een uitgebreid onderzoek van het rode bloedbeeld wordt niet alleen gekeken naar het aantal rode bloedcellen, maar ook naar de grootte van de cellen, het ijzergehalte en de aanwezigheid van kernmateriaal (RNA). Normaal gesproken zijn uitgerijpte volwassen rode bloedcellen kernloos. Jonge rode bloedcellen bevatten nog wel resten van kernmateriaal. Dit kernmateriaal kan zichtbaar worden gemaakt door middel van een specifieke kleuring. De hoeveelheid jonge cellen is een maat voor de bloedaanmaak. Bij een bloedarmoede dient dan ook altijd gekeken te worden hoeveel jonge rode bloedcellen, ook wel `reticulocyten' genoemd, er aanwezig zijn. Voldoende aantallen reticulocyten duiden op een actief beenmerg. Het lichaam is dan bezig de bloedarmoede op te heffen. We noemen dit ook wel een regeneratieve anaemie. Bij welke aantallen reticulocyten we mogen spreken van een regeneratieve anaemie hangt af van de ernst van de anaemie.
Overige parameters van het rode bloedbeeld
Er kunnen ook nòg jongere rode bloedcellen worden aangetroffen in het perifere bloed: deze cellen zijn groter naarmate ze jonger zijn en ze bevatten minder hemoglobine. Bij het bekijken van een bloeduitstrijkje wordt daar ook op gelet en de laborant vermeld deze bevindingen. Het voorkomen van grotere en blekere (minder hemoglobine) rode bloedcellen wordt aangeduid met de termen `anisocytose' (=ongelijke cellen) en `polychromasie' (=veelkleurigheid). De gemiddelde celgrootte en het gemiddelde hemoglobinegehalte kan ook worden gemeten. Hiervoor zijn de volgende termen in gebruik: MCV (=mean cell volume=gemiddelde celgrootte), MCH (=mean cell hemoglobin=gemiddelde hoeveelheid hemoglobine per cel) en MCHC (=mean cell hemoglobin concentration=gemiddelde concentratie hemoglobine per cel).
Afwijkende rode bloedcellen
Een ervaren laborant kan tevens waarnemen of er afwijkende rode bloedcellen in een bloeduitstrijkje zitten. Er zijn een aantal specifieke morfologische afwijken die als aanwijzing kunnen dienen voor bepaalde aandoeningen. Zo zien we bijvoorbeeld bij een ernstige bloedafbraak zogenaamde `sferocyten'. Dit zijn hele bolvormige rode bloedcellen, terwijl de normale rode bloedcel min of meer schotelvormig is.
Bloedplaatjes of thrombocyten
Het aantal bloedplaatjes of thromobocyten is een belangrijke maat voor de stolling. De normaalwaarden zijn bij de hond 200 - 500 (x 10 9)/l, bij de kat 300 - 700 (x 10 9)/l. Een tekort aan bloedplaatjes heet `thrombopenie' en kan wijzen op een verminderde aanmaak ervan in het beenmerg, een versnelde afbraak of een verhoogde opslag in de milt. Een verminderde aanmaak van thrombocyten kan komen door invloed van geneesmiddelen of chemische stoffen, oestrogenen, infecties, stofwisselingsstoornissen of tumoren in het beenmerg. Een versnelde afbraak van thrombocyten treedt op bij immuun gemedieerde hemolyse, overgevoeligheid voor geneesmiddelen of DIS (=diffuse intravasale stolling, een aandoening waarbij het gehele stollingsproces uit de pas loopt ten gevolge van ernstige ziekten of shock). Een verhoogde opslag in de milt ontstaat bij vergroting van de milt, door diverse oorzaken. De betekenis van een verhoging van het aantal bloedplaatjes (thrombocytose) is niet eenduidig te geven, maar we zien het bijvoorbeeld na operaties, na het verwijderen van de milt, na trauma, bij stress en opwinding, maar ook tijdens de dracht. In uitzonderlijke gevallen kan het een aanwijzing zijn voor kwaadaardige (beenmerg)tumoren. Bij stolling van het bloed door fouten in de bloedafname of het verwerken van het bloedmonster zijn de uitslagen zeer onbetrouwbaar!
Dit artikel is voor het laatst bijgewerkt op 16 mei 2011 door J.F. van Hengel